Over dieren> Vaccinatie
Vaccinatie
Tom Nagels, DVM
![]() |
Bij een groot publiek bekend als 'spuitjes' en voor de meeste diereneigenaars al lang geen nieuwigheid meer, kortom het vaccin is zodanig ingeburgerd dat velen zich al lang niet meer afvragen waartoe dit alles dient en hoe zo'n spuitje eigenlijk werkt. In dit artikel lees je over het principe van enting en de vrijheden en beperkingen die hieruit volgen. In aanverwante rubrieken worden de bestaande vaccins voor elke diersoort afzonderlijk besproken.
Hoe het allemaal begon?
Tijdens de 18de eeuw richtte de pokken (smallpox) een ware ravage aan vooral bij kinderen jonger dan 1 jaar. Er bestond reeds enige tijd een Turkse traditie om mensen opzettelijk te besmetten met de ziekte in het (bij)geloof dat het de patiënt zou beschermen tegen een fatale afloop. Deze praktijk steunde op geen enkel wetenschappelijk of klinisch bewijs en liep dan ook vaak dodelijk af. Tot laat in de jaren 1760 Edward Jenner, een Engelse landarts, geïntrigeerd werd door het mogelijke verband tussen menselijke pokken, koepokken en varkenspokken. Op 14 mei 1798 inoculeerde hij experimenteel een jongetje met de koepokken waarna hij over een periode van jaren het kind meermaals trachtte te besmetten met de menselijke en dodelijke variant: het kind werd nooit ziek. Hij noemde deze behandeling 'vaccinatie' afgeleid van 'vacca', Latijn voor 'koe'. De ontdekking van Jenner - hoewel het virus zelf en het mechanisme van vaccinatie pas veel later beschreven werd - werd naast zuiver water de belangrijkste sprong voorwaarts voor de volksgezondheid ooit gemaakt. In 1980 verklaarde de World Health Organisation de wereld en zijn bevolking vrij van het pokkenvirus.
Hoe werkt een vaccin?
Wat Jenner eigenlijk deed, was de patiënt met een virus besmetten dat geen of slechts milde ziektesymptomen kon verwekken bij de mens maar wel sterk verwant was aan het schadelijke virus. Het lichaam maakt tegenover dit onschadelijke virus antistoffen aan. Dit zijn zeer complexe eiwitmoleculen die op specifieke plaatsen met de belagers binden zodat ze in een vroeg stadium van infectie onderschept en vernietigd worden. Door de verwantschap van het koepokkenvirus met het menselijk pokkenvirus zullen de antistoffen gevormd tegen het ene ook het andere virus onschadelijk maken. De antistoffen verdwijnen niet volledig nadat het vaccinvirus verwijderd is, maar blijven - afhankelijk van vele factoren - maanden tot jaren circuleren.
Vroeger werden - en in sommige gevallen nog steeds - 'levend verzwakte' virusstammen gebruikt voor vaccinatie. De term legt zichzelf uit: het virus kan geen of slechts milde symptomen veroorzaken (verzwakt) maar is nog wel in staat zich te vermenigvuldigen (levend). Dit heeft zijn voordelen maar ook zijn nadelen: over het algemeen een sterkere immuniteit maar de mogelijkheid bestaat dat de ziekte doorbreekt. Het alternatief is virus vooraf te inactiveren door er produkten aan toe te voegen. Thans maakt men dankzij de biotechnologie geïnactiveerde vaccins door specifieke delen van virussen te reproduceren. Deze stukken zijn zorgvuldig uitgekozen zodat ze een optimale immuniteit induceren en kunnen uiteraard geen ziekte meer verwekken.
Stellen dat men alleen kan vaccineren tegenover virussen zou een vergissing zijn. Er bestaan even goed vaccins tegen bacteriën, ééncelligen, schimmels, gisten en zelfs wormen, hoewel het gros van de beschikbare entstoffen wel degelijk bedoeld is ter preventie van virale infectieziekten. Sommige ziektekiemen zijn echter in staat om op een sluwe manier het immuniteitsstelsel te omzeilen dat de antistoffen die gevormd worden geen of slechts korte tijd bescherming bieden (bv. HIV); men kan dus NIET tegenover ALLES vaccineren
Waarom geen pasgeboren dieren enten?
Pasgeboren pups en kittens krijgen vlak na de geboorte via de melk een flinke dosis antistoffen van hun moeder mee zodat ze de eerste levensweken tegenover belagers beschermd zijn daar ze nog niet in staat zijn om zelf antistoffen aan te maken. Dit vereist uiteraard wel dat het moederdier ofwel gevaccineerd werd ofwel ooit in contact is geweest met de ziekteverwekker.
Wanneer men heel jong zou enten, zullen deze 'maternale' antistoffen het vaccin onmiddellijk elimineren en zijn werking dus volledig tenietdoet. Vandaar dat als men om dwingende redenen toch moet overgaan tot vaccinatie van pasgeborenen, men hiervoor speciaal ontworpen entstoffen moet gebruiken.
Waarom de eerste keer twee keer?
Na de geboorte wordt het jong dus beschermd door antistoffen die het van zijn moeder heeft meegekregen. Na een tijd zakt deze passieve immuniteit en wordt het lichaam verondersteld zelf antistoffen te produceren. Dit is het moment waarop men een eerste enting of primovaccinatie uitvoert. Het immuniteitsstelsel gaat tegenover het ingespoten vaccin antistoffen produceren, in de eerste plaats om het uit het lichaam te verwijderen. Na eliminatie zakt de hoeveelheid antistof opnieuw. Het eerste contact met het vaccin wordt in een soort immuniteitsgeheugen opgeslagen. Een tweede vaccinatie, ook booster- of rappelvaccin genoemd, enkele weken later frist dit geheugen op. De snelle en sterke antilichaamproductie die hierop volgt verzekert maanden tot jaren actieve immuniteit. Om deze te behouden moet de vaccinatie wel nog eens af en toe herhaald worden.
Verwante artikels